Victory Publications

Overwin het kwade door het goede

‘Drie keuzes’ en de bittere oogst van de ontkenning

Hoe huichelarij over de islam de genocide in het Midden-Oosten aanwakkert

Gepubliceerd op 24 augustus 2014

In noord-Irak is de religieuze genocide in zijn eindfase. Islamitische Staat (IS)-soldaten, versterkt met militaire uitrusting oorspronkelijk aangevoerd door de VS, verdrijven Koerdische verdedigers die christelijke en andere religieuze minderheden aan het beschermen waren. Hoewel honderdduizenden vluchtelingen naar Koerdistan vluchten, zijn ongeveer 40.000 Jazidi’s en enkele christenen in het nauw gedreven op de berg Sinjar, omgeven door IS-jihadisten.

De Assyrische Hulp Gemeenschap deed verslag dat kinderen en ouderen aan de dorst sterven. Ouders gooien hun kinderen van de berg in plaats van hen te zien sterven door dorst of gevangen genomen te worden door de IS.

De IS-jihadisten doden de mannen die ze gevangen nemen. In een recent incident werden 1500 mannen geëxecuteerd voor de ogen van hun vrouwen en gezinnen. In een ander incident werden 13 Jazidi's die weigerden zich te bekeren tot de islam hun ogen uitgerukt, ondergedompeld met benzine en levend verbrand. Wanneer de mannen gedood zijn, worden hun vrouwen en kinderen tot slaaf genomen om voor seks gebruikt te worden, als menselijke schilden in gevechtszones ingezet te worden, of verkocht te worden om naar gelang hun nieuwe eigenaren belieft gebruikt en misbruikt te worden.

De VS riep ironisch genoeg om nauwere samenwerking. UN-ambassadeur, Samantha Power, riep alle partijen in het conflict op om VN-hulporganisaties toe te laten. Ze riep de Iraki’s op om ‘samen te komen’ opdat Irak ‘terug gaat op het pad van een vreedzame toekomst’ en ‘ISIS verhindert van het uitwissen van Iraks levendige diversiteit’.

Natuurlijk is het geen ‘levendige diversiteit’ die weggevaagd wordt in Irak, maar tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen. Dit gaat niet over het mislukken van samenleven, en het probleem is niet ‘conflict’. Dit gaat niet over mensen die problemen met elkaar hebben die het op enig manier ‘weer goed met elkaar moeten maken’. Het gaat over een wel uitgesproken en wel gedocumenteerd theologisch wereldbeeld dat bezeten is ‘ongelovigen’ te domineren, indien nodig hen van de aardbodem weg te vagen, teneinde de macht en grandeur van een radicale visie op de islam te vestigen.

De Amerikaanse regering, volgens Nina Shea van het Hudson Institute, ‘onthoudt wapens aan de Koerden terwijl gewacht wordt op een nieuwe, verenigde Iraakse regering met een nieuwe premier. Ondertussen… zijn er geen Iraakse troepen in de Ninevé-provincie.’ Slechts enkele minuten voor twaalf op de genocide-klok is de VS begonnen met het lanceren van militaire aanvallen tegen de IS-strijdkrachten.

Deze gebeurtenissen zouden het Westen wakker moeten schudden, niet in het minst omdat duizenden van de IS-jihadisten geboren en getogen zijn in de moskeeën van Europa, Noord-Amerika en Australië, om nog maar te zwijgen over de madrassa’s van landen als Maleisië, Bangladesh en Indonesië. Gevormd door de theologie van radicale islam in hun thuismaatschappijen, stromen aspirant-jihadisten naar Syrië en Irak waar zij, onderweg dodend en verkrachtend, de overwinning of het martelaarschap najagen.

Waarom is dit zo? Hoe kon de Arabische Lente, omarmd door zoveel westerse salon-commentatoren als de het een-na-mooiste ding voor het Midden-Oosten, helder rood bloeien in een stroom van bloed?

Gedeeltelijk omdat het Westen in de greep is van theologisch analfabetisme. Het heeft koppig geweigerd de implicaties van een globale islamitische herleving die lange tijd aan de gang was te begrijpen. De Islamitische Beweging kijkt terug naar de gloriedagen van verovering als het fijnste uur van de islam, en probeert islamitisch suprematie te herleven door jihad en opoffering. Het verlangt naar een ware islamitische staat – de opstanding van het kalifaat – en beschouwt de jihad als de godgegeven manier om het in te luiden.

Dit wereldbeeld werd gepromoot in dwingende, visionaire termen door de Indiase geleerde Aboe A'la Maududi, wiens geschriften in het Westen weids verspreid worden door islamitische boekwinkels en moskeeën. Maududi beargumenteert in zijn radicaliseringsboek voor beginners, Laat ons moslims zijn, dat de enige geldende vorm van regering islamitische theocratie is – dat wil zeggen sharia-heerschappij – en moslims zijn verplicht om met alle macht die zij voorhanden hebben dit doel de wereld op te leggen: ‘wie u ook bent, in welk land je ook woont, je moet streven om de verkeerde basis van regering te veranderen, en alle macht van degenen die God niet vrezen te grijpen om te heersen en wetten te maken. … De naam van dit streven is jihad.’ En ‘Als je gelooft dat islam waar is, heb je geen alternatief dan om je allerbeste kracht te gebruiken om het te doen zegevieren op de aarde: ofwel je vestigt dit ofwel je laat je levens in deze strijd.'

Mijn eigen exemplaar van Laat ons moslims zijn, dat voor mij open ligt, was gekocht van een wel-gerespecteerde mainstream islamitisch centrum hier in Melbourne, Australië.

Toen paus Benedictus een lezing gaf in Regensburg in 2006, waarin hij suggereerde dat de islam door geweld verspreid was, barstte de moslimwereld uit in gewelddadige protesten.

Sjeik ‘Abdul Aziz al-Sheikh, grootmoefti van Saoedi-Arabië, antwoordde met een onthullende verdediging van de daden van de islam. Zonder een sprankje ironie argumenteerde hij dat de paus het fout had door te zeggen dat de islam verspreid was door geweld, omdat de ongelovigen een derde keus, naast de dood of bekering, hadden namelijk ‘overgave en de betaling van de belasting, en zij zullen toegestaan worden om in hun land te blijven, nalevend hun religie onder de bescherming van moslims.’ Hij beweerde dat degenen die Koran en de Soenna (het voorbeeld en leringen van Mohammed) lezen, de feiten zullen begrijpen.

De werkelijkheid die zich in noord-Irak ontvouwt, onthult precies wat de doctrine van de drie keuzes betekent voor overwonnen niet-moslimse bevolkingen, en waarom het dogma van de ‘drie keuzes' geen verdediging is tegen de bewering dat de islam verspreid werd door het zwaard.

Het is glashelder dat IS het spel niet volgens de regels van deze wereld speelt. Het toont niets anders dan verachting voor de Geneefse Conventie. Zijn gevechtstactieken worden gereguleerd door sjeiks die de sharia-regels van oorlogvoering hanteren. Veel van de mishandelingen gepleegd door IS die door de internationale media worden verslagen komen rechtstreeks uit de pagina’s van de islamitische wetsboeken.

Kijk naar IS’ boodschap aan christenen in noord-Irak: ‘We bieden hen drie keuzes: islam, de dhimma-contract – inclusief de betaling van de jizya; als zij dit weigeren, hebben zij niet anders dan het zwaard.'

Deze woorden zijn overgenomen uit de pagina’s van islamitische heilige teksten. Het was Sa'd b. Mu’adh, een metgezel van Mohammed, die over de heidense Mekkanen zei: ‘We zullen hen niets anders dan het zwaard geven.’ (A. Guillaume, The Life of Muhammad, OUP 1955 p. 454).

Over Mohammed zelf werd gerapporteerd te hebben gezegd: ‘Wanneer je je vijanden ontmoet die polytheisten zijn [dat wil zeggen: zij zijn niet-moslims], leg hen drie opties voor. … Nodig hen uit tot de islam… Als zij weigeren om de islam te aanvaarden, eis van hen de jizya. .. Als zij weigeren om de belasting te betalen, zoek Allah’s hulp en bevecht hen’ (Sahih Muslim. The Book of Jihad and Expedition [Kitab al-Jihad wa’l-Siyar] 3:27:4294). Toen de kalief 'Oemar Perzië aanviel, kondigde hij hen aan: ‘Onze Profeet [Mohammed]… heeft ons bevolen u te bevechten totdat u Allah alleen dient of de jizya betaalt' (Sahih al-Bukhari, The Book of al-Jizya and the Stoppage of War 4:58:3159).  

Ik heb de doctrine van de drie keuzes in mijn boek De derde keus: islam, dhimmitude en vrijheid geanalyseerd, daarbij uitvoerig gebruik gemaakt van islamitische bronnen om het wereldbeeld van jihad en de dhimma uit te leggen. Dat boek leest nu als een grimmige profetie van de tragedie die zich in Syrië en Irak ontvouwt.

Het Arabische word jizya is afgeleid van de stam j-z-y dat verwijst naar iets gegeven ter compensatie, in vergoeding voor iets anders. Volgens Arabische taalkundigen is jizya schatting van niet-moslims die leven onder islamitische heerschappij ‘als een soort compensatie voor niet te worden afgeslacht’. Het wordt betaald door de verslagen gemeenschappen om hun aanvallers te compenseren of te belonen voor het afzien van het recht om hen te doden, tot slaaf te nemen of te beroven.

De negentiende-eeuwse Algerijnse Koran-commentator Muhammad ibn Yusuf at-Fayyish legde uit dat jizya ‘een genoegdoening is voor hun bloed. Het is… om te compenseren voor niet te worden gedood… Het is ten bate van de moslims.’ Meer dan duizend jaar eerder schreef Abu Yusuf Ya’qub, een Hanafi-jurist, ‘hun levens en bezittingen worden gespaard in ruil voor de betaling van de jizya.’

In 1799 deed William Eton, in een onderzoek naar het Ottomaanse rijk, verslag dat christenen onder Ottomaanse heerschappij, voor wat betreft het betalen van de jizya, met een standaardformule aangesproken werden in de trant van dat ‘de som geld die in ontvangst genomen wordt, is ter compensatie voor toegestaan te worden om hun hoofden voor dat jaar te dragen’ (Etons benadrukking).

Zeker, er zijn andere manieren om de Koran te interpreteren, maar het punt is dat dit begrip van jizya de gangbare is geworden in noord-Irak en Syrië. Het wordt ook ondersteund door eeuwen van islamitische jurisprudentie en praktijk. Het was met dit begrip van de islam dat het Midden-Oosten, Zuid-Azië en grote delen van Oost-Europa veroverd en tot moderne tijden onder moslimheerschappij bezet werden.

Dit grimmige feit – dat de IS-jihadisten kundig hun theologie kunnen verdedigen op de basis van de geschiedenis en religieuze tradities van de islam – betekent dat het geen gemakkelijke opgave zal zijn om moslimgeestelijken en intellectuelen te overtuigen ze te ‘ontkrachten’. Een dergelijke strategie, die voorgesteld werd door Peter Leahy, voormalig hoofd van het Australisch leger, zal beladen zijn met moeilijkheden. Het ontkrachten zou veel gemakkelijker zijn als radicale ideologieën in feite krachteloos waren. Het probleem is dat de jihadisten er veel te veel theologische troefkaarten vanuit de Koran en het precedent van Mohammeds voorbeeld op nahouden om gemakkelijk naar voren te worden gebracht op het gebied van ideeën. In feite zijn het de radicalen die deskundig geworden zijn in het ontkrachten, zoals hun succesvolle wereldwijde rekruteringsdrang aantoont.

Laten we naar enkele kernpunten achter de theologie van de radicalen kijken.

Volgens islamitische wet worden christenen en andere niet-moslims die afspreken hun religie te behouden en hun levens door de jizya te betalen, onderworpen aan een dhimma-verdrag van overgave.

Het woord dhimma is afgeleid van een Arabisch woord dat ‘beschuldigen’ betekent. Het impliceert een verplichting of achterstand die ontstaat uit schuld of gebrek. Het idee is dat de niet-moslims, bekend als dhimmis, iets verschuldigd zijn aan hun overwinnaars voor hun levens, en niet-naleving van het verdrag van overgave zou schuld inhouden en dus straf betekenen. De dhimma-voorwaarden sluiten de betaling van jizya in door volwassen mannen, maar ook veel vernederende wetsbeperkingen die opgelegd worden op niet-moslims en op een of andere vorm opgelegd worden op niet-moslims over veel van de moslimwereld tot op de huidige dag: een voorbeeld is de wijdverspreide beperkingen op het bouwen van nieuwe kerken in gebieden voormalig veroverd door de islam; een ander is beperkingen op vrijheid van religieuze uiting.

De oplegging van deze beperkingen op niet-moslims is in overeenstemming met een gebod van Mohammed:

‘… Ik ben gestuurd met een zwaard in mijn hand om mensen te gebieden Allah te dienen en geen partners met hem te verbinden. Ik gebied u om degenen die mij ongehoorzaam zijn te kleineren en te onderwerpen, want wie een volk nadoet is een van hen’ (geciteerd uit de Musnad Ahmad Ibn Hanbali, stichter van de Hanbali-school van jurisprudentie).

Een van de manieren van het kleineren van niet-moslims is geweest om te verzekeren dat zij niet ‘gelijk lijken’, door te vereisten dat zij onderscheidende kleding dragen, lappen of zelfs, in oude tijden, zegels rondom hun nekken.

Een hedendaagse manifestatie van het principe van het niet ‘gelijk lijken’ is de toepassing van de Arabische letter nun (voor Nazrani, het Arabische word voor christenen) voor de buitenkant van christelijke huizen in Mosoel. Gebruikmakend gelijksoortige redenering, vereiste de Taliban dat Afghaanse Hindoes lappen op hun kleding moesten dragen, dus hun niet-moslims status onmiddellijk kon worden herkend.

IS kijkt zelfs naar het model van eerste-eeuwse islam om het niveau van de jizya-belasting te bepalen. Vroege islamitische bronnen stellen dat de jizya een minimum van één gouden dinar was, tot en met vier dinars, afhankelijk van de rijkdom van de individuele dhimmi. Volgend deze bepalingen naar de letter deed IS de volgende uitspraak:

‘Christenen zijn verplicht om de jizya-belasting te betalen voor iedere volwassen man ter waarde van vier gouden dinars voor de rijken, de helft daarvan voor de middeninkomens en de helft daarvan voor de armen… zij moeten niet hun status verbergen, en kunnen in twee deelbetalingen voldoen.’


Een gouden dinar weegt ongeveer 4.5 gram, wat bij $45 a gram betekent dat een belastingregiem van 1 tot 4 dinars gelijk stelt aan $200 tot $800 US dollars per niet-moslim volwassen man. Dit is een hoge last voor een veroverd volk in een oorlogszone, en de werkelijkheid op de grond in zowel Syrië als Irak is dat de jihadisten veel meer eisen, en niet alleen eens per jaar zoals hun lesboeken stellen, maar keer op keer.

Verslagen tonen aan dat IS de jizya zo hoog gezet heeft in zowel Syrië als noord-Irak, en het heffen ervan zo vaak uitvoert, dat het niet betaald kan worden. Dit geeft christenen die in hun huizen wensen te blijven, slechts twee keuzes: bekeren of sterven. De meeste zijn gevlucht, maar sommige, inclusief degenen die te zwak zijn of niet in staat om te vluchten, moesten zich bekeren. De vluchtelingen zijn in een bijzonder wanhopige situatie, omdat bij iedere IS-checkpoint die zij passeren, meer bezittingen worden afgenomen.

Er is niets nieuws hier. Door de geschiedenis heen is de jizya een zware belasting voor niet-moslims geweest. Grote aantallen christenen bekeerden zich tot de islam in de vroege eeuwen van islamitische heerschappij om deze belasting te vermijden. Dionysius, een Syrische patriarch schrijvend in de achtste eeuw, deed verslag dat de jizya vaak afgenomen werd van christenen door afranselingen, uitbuiting, marteling, verkrachting en moord. Velen vluchtten ontredderd van plaats naar plaats nadat zij alles dat zij bezaten verkocht hadden om de belasting te betalen.

Arthur Tritton deed verslag in De kaliefen en hun niet-moslimse onderdanen ongeveer acht-eeuwse Egypte dat voor ordinaire dagloners de jizya-belasting ongeveer een kwart van hun jaarlijkse inkomsten was, of tien keer de zakaat-belasting betaald door moslims. Shlomo Dov Goitein, schrijvend over de situatie van joden in middeleeuws Egypte, deed verslag dat mannen zichzelf of hun gezin tot slaaf namen om de belasting te betalen. Eeuwen na Dionysius van Antiochië, deed hij ook verslag dat velen, na alles verkocht te hebben om het te betalen, als bedelaars gingen rondzwerven.

De behandeling van gevangen door IS is ook in overeenstemming met orthodoxe regels van oorlogsvoering in de islam, die toestaan mannen te doden, terwijl vrouwen en kinderen tot slaaf worden genomen. Seksslavernij – concubinaat – is toegestaan door de sharia-principes die IS hanteert. De Reliance of the traveller een gerespecteerde Soennitische handleiding van sharia-wet – stelt: ‘Wanneer een kind of een vrouw gevangengenomen is, worden zij slaven bij het feit van gevangenneming en het eerdere huwelijk van de vrouw is onmiddellijk nietig’ (hoofdstuk o9.13). De optie van het bekeren tot de islam om dood of gevangenneming te vermijden – dat niet-moslims door IS wordt opgedrongen – wordt ook zeker ondersteund: ‘Wie de islam betreedt voordat hij gevangengenomen wordt mag niet gedood worden of zijn eigendom geconfisqueerd of zijn jonge kinderen gevangengenomen’ (hoofdstuk o9.12).

De wijdverspreide beroving van eigendom wordt ook goedgekeurd door de islamitische regels van oorlogsvoering: ‘Een vrije mannelijke moslim die pubertijd heeft bereikt en goed bij verstand is is gerechtigd voor de oorlogsbuit wanneer hij deelgenomen heeft tot het einde van een veldslag’ (hoofdstuk o10.1). En ‘Iemand die… een van de vijand doodt of hem daadwerkelijk onthoofdt, riskerend zijn eigen leven daarbij, is gerechtigd tot wat hij ook kan nemen van de vijand, betekenend zoveel als dat hij wegenemen in de veldslag, zoals een rijpaard, kleding, wapens, geld of anders' (hoofdstuk o10.2).

De grimmige werkelijkheid is dat het lot van christenen en Jazidi’s in noord-Irak vandaag te vaak overeenkomt met de bepalingen van islamitische lesboeken: niet-moslims worden gedood, hun vrouwen en kinderen tot slaaf genomen, en hun eigendom en bezittingen geroofd.

Het is betreurenswaardig dat de koude werkelijkheid van islamitisch imperialisme en het dhimma-systeem ontkend en verduisterd is door geleerden. Bijvoorbeeld Bernard Lewis beweerde dat ‘De dhimma als geheel goed werkte.’

Als onderdeel van deze verduisterende sluier is de ware betekenis van de woorden jizya en dhimma door geleerden verborgen gehouden.

De Anglicaanse priester Colin Chapman, die toen de aartsbisschop van Canterbury’s afvaardiging naar Al-Azhar-universiteit in Cairo, beweerde in zijn alom gelezen boek Het kruis en de halve maan dat joden en christenen ‘beschermd’ werden en impliceert dat de jizya betaald werd als compensatie voor hen om geen militaire dienst te doen of het betalen van de moslimse aalmoes (zakaat). In werkelijkheid is de hoofdbescherming toegekend aan dhimmis dat zij hun hoofden weg kunnen houden van het zwaard van de jihad, en het was in ruil voor dit voorrecht dat de jizya afgenomen werd. John Esposito beweerde overeenkomstig dat jizya een ‘uitruil’ is voor het houden van je eigen religie, bescherming tegen ‘agressie van buiten’ en uitsluiting van militaire dienst.

Dergelijke huichelarij, ook naar voren gebracht door moslimapologeten, hebben gediend om de mythe van convivencia (samenleven) overeind te houden en een gouden regel waarin christenen en moslims tevreden naast elkaar leefden onder islamitische heerschappij.

Architecten van multiculturalisme en pleitbezorgers van religieuze dialoog hebben herhaaldelijk dit mythische islamitische construct gepromoot als model voor verschillende religies om naast elkaar in Europa vandaag de dag te floreren. Dit werd hand in hand gedaan met de beweringen dat Europese cultuur een niet erkende schuld jegens de islam bezit, en dat de islamitische geschiedenis verkeerd is gepresenteerd door haatvolle, bevooroordeelde mensen.

In werkelijkheid werd islamitisch samenleven met overwonnen christelijke bevolkingen altijd gereguleerd door de voorwaarden van de dhimma, zoals boven gedefinieerd, waarbij niet-moslims geen inherente rechten om te leven hadden, maar dit recht ieder jaar moesten kopen.

Opzettelijke historische onwetendheid is zeer verzwakkend gebleken voor de intellectuele elites van het Westen, die zich gerechtvaardigd voelen in het afwijzen van bewijs dat hun gecorrumpeerde wereldbeeld tegenspreekt, op grond van dat zij een standpunt maken tegen het fanatisme van islamofobie. Hun moslimdialoogpartners hebben hen geschoold in deze zelfhaat.

Ook verzwakkend is de trend onder geleerden om de militaire betekenis van jihad te ontkennen of te bagatelliseren. Een extreem voorbeeld is de Yale-theoloog Miroslav Volfs onzinnige bewering dat het gebruik van militaire kracht om de islam te verbreiden ‘verworpen wordt door alle hedendaagse leidende moslimgeleerden’.

De verbreiding van het idee van de ‘grote jihad’ als een persoonlijke geestelijke strijd heeft ook gediend om westerse leiders, zoals de CIA-directeur John Brennan te misleiden, die stelde dat ‘jihad een heilige strijd, een legitieme leerstelling van de islam, is bedoeld om jezelf of je gemeenschap te reinigen’.

In werkelijkheid is de betekenis van jihad in alle sharia-lesboeken oorlogvoering tegen ongelovigen. Als de ware betekenis van jihad een geestelijke strijd was met jezelf, zou IS niet zo veel gewillige vrijwilligers van over de hele wereld aantrekken om in Syrië en Irak te vechten.

Er is een chronische en urgente noodzaak voor dialoog van beschavingen tussen de islam en het post-christelijke Westen. Echter deze dialoog mag niet gebaseerd worden op mythes. Bovenaan de agenda moeten de instellingen van jihad en de dhimma staan. Het is essentieel voor Westerlingen om met nadruk deze twee pillaren van islamitische wetgeving te verwerpen en te stigmatiseren, en bij moslims hun toepassing in zowel de geschiedenis als in de huidige tijd te beklagen.

Een van de gevolgen van opgedwongen culturele blindheid en intellectuele amnesie is ongebreidelde theologische analfabetisme onder westerse politici. Dit heeft nu akelige gevolgen voor christenen en anderen in het Midden-Oosten. Degenen die de Westerse bezetting van Irak manageden waren diep onwetend over de gevaren van niet-moslimse minderheden geplaatst door de islamitische opleving in combinatie met Westerse bemoeienis, en in het bijzonder door de herinvoering van het jihad-dhimma-systeem. Zij keken het feit over het hoofd dat het herinvoeren van de dhimma altijd een onderdeel is geweest van de islamitische revivalbewegingen. Zij begrepen niet dat jihad-oorlogszones altijd in het bijzonder dodelijk blijken voor niet-moslims, zelfs wanneer het hoofdconflict een tussen moslims is.

Vergeten was ook dat vorderingen in de rechten van niet-moslimse bevolkingen in het Midden-Oosten – zoals de officiële ontmanteling van dhimma-wetten door de Ottomanen in het midden van de negentiende eeuw – alleen bereikt werden vanwege aanblijvende politieke en militaire druk van de grootmachten, en ten koste van onderdrukkende islamitische dogma's. Inderdaad is deze ‘vernedering’ van de islam een van de dingen die de wereldwijde globale islamitische herleving wil terugdraaien: dit is waarom de verslechtering van mensenrechten van niet-moslimse minderheden – van Maleisië tot Egypte – zo opvallend is in recente decennia.

Vandaag prijzen islamitische herlevingsdogma’s, die diep doordrongen zijn in moslimgemeenschappen zowel in het Westen als in moslimmeerderheidstaten de gloriedagen van de islam, toen christenen en andere niet-moslims de jizya betaalden om hun hoofden te houden. Revivalisten kijken vooruit naar een moment waarop shariaprincipes, ingevoerd door ontketende jihad, de visie opleggen dat niet-moslims geen inherent bestaansrecht hebben, maar alleen een toegegeven recht waarvoor zij moslims in goud moeten compenseren. We moeten niet verbaasd of gechoqueerd zijn wanneer jonge mannen van over de hele wereld, grootgebracht in deze vergiftige theologische cocktail, vrijwillig zich aansluiten voor de jihad in Syrië en Irak om een langverwachte islamitische utopie in te luiden. Het moet ons choqueren dat zij geen scrupules hebben wat betreft het vergieten van niet-moslims bloed.

Het gevolg van de culturele jihad, gevoerd niet alleen door moslimapologeten, maar ook door westerse elites, is dat westers politici blind geworden zijn voor de enormiteit van huidig niet-moslim lijden onder de juk van de islam, want zij hebben geen referentiepunten om het te begrijpen. Om met dit lijden betrokken te raken en beleid te ontwikkelen om het te bestrijden, vereist onderkenning van de grondoorzaken, namelijk de theologische raamwerken van jihad en de dhimma, maar dat is eenvoudigweg te beangstigend voor maatschappijen die vastgeroest zijn in multiculturele dogma’s, door een onjuiste kijk op de geschiedenis te hebben aangenomen en hardnekkig obscure kijk op theologie.

Zolang politici intellectuele solaas blijven zoeken in oproepen voor ‘conflictoplossing’ en ‘verzoening’, zullen de kwetsbaren blijven worden gedood, verkracht en beroofd in de naam van islamitisch herleving. De levens van tienduizend kwetsbaren en vreedzame christenen, Jazidi’s en anderen, wier misdaad is dat hun religie onaanvaardbaar is, hangen nu in de balans in noord-Irak, terwijl het Westen verlamd aan de zijlijn staat, overdonderd en versuft door de leugens die ze zichzelf voor zoveel jaren voorhield.

Dit wil niet zeggen dat verzoening niet noodzakelijk is. Osama Bin Laden had het juist toen hij beweerde dat de doctrine van de drie keuzes de crux is van het probleem van het Westen met de islam: ‘Het Westen wreekt zichzelf tegen de islam voor het geven van de ongelovigen slechts drie opties’:

‘Onze gesprekken met het ongelovige Westen en ons conflict met hen draait uiteindelijk rondom één zaak – één die onze volledige steun, met macht en toewijding, met één stem vraagt – en het is: “Dwingt islam, wel of niet, mensen door de punt van het zwaard om zich te onderwerpen aan zijn autoriteit lichamelijk als niet geestelijk?” [Het antwoord is:] Ja. Er zijn in de islam slechts drie keuzes: of vrijwillige onderwerping; of betaling van de jizya, door fysieke doch geen geestelijke onderwerping aan het gezag van de islam; of het zwaard – want het is niet juist om hem [een ongelovige] te laten leven. De zaak kan als volgt voor iedere levend persoon samengevat worden: ofwel onderwerp, of leef onder de suzereiniteit van de islam, ofwel sterf.’

Bin Laden was juist hierover, dat de islamitische doctrine van drie keuzes, omvattend de theologische instellingen van jihad en de dhimma, het centrale punt is en moet zijn voor het Westen in zijn dialoog met de islamitische wereld. Een begrip van deze doctrine en zijn implicaties voor de mensenrechten van niet-moslims moet een hoeksteen zijn van openbaar beleid in relatie tot de islam, zowel nu als in de nabije toekomst.

Dit zal geen gemakkelijke en comfortabele dialoog zijn, oordelend op basis van het gejammer van protesten dat paus Benedictus relatief milde Regensburglezing in 2006 begroette. Niettemin zal appeasement van jammerende bezwaarden door conflict-vermijdende manoeuvres niets dan smart brengen, zoals we zien in noord-Irak.

Volgens de ‘dominee van Bagdad’, canon Andrew White, is nu nodig niet-moslims slachtoffers van islamitische jihadisten met drie dingen te helpen: Bescherming (Protection), Voorziening (Provisioning) en Volharding (Perseverance). De leugen die de wereld opgedrongen werd was dat er niets nodig was om niet-moslims te beschermen.

Precies nu verdienen IS-slachtoffers militaire interventie, eten, water, onderdak en medicijnen. Velen zullen een permanente toevlucht nodig hebben buiten hun thuislanden.

Op de lange termijn is veel meer nodig. Zeker de wil om te volharden, omdat de wereld slechts in de vroege fases van een (nu hervatte) eeuwenlange oorlog met militante islam is, maar boven alles, om een voortdurende vooruitgang te boeken in lange strijd die voor ons ligt, zullen we een grotere appetijt voor de waarheid moeten hebben.